Nieuw leven in een oude kerk

In de Anglicaanse kerk wordt op de synode druk gediscussieerd over de toekomst. Er zijn grootse plannen. Er moeten de komende tien jaar 20.000 nieuwe kerkgemeenschappen worden gesticht, grotendeels in niet-traditionele settingen, en vooral geleid door leken. Daarmee moet de kerk jonger en diverser worden. 

Dit soort visionaire plannen horen we overal om ons heen, vooral in het bedrijfsleven. Stagnatie of achteruitgang los je op door een wijziging van koers, nieuwe initiatieven en ambitieuze doelstellingen, waar je veel geld tegenaan gooit. Hoezeer ik me ook kan vinden in het verlangen van de Anglicaanse kerk om jonger en diverser te worden, ik denk niet dat dit de weg is. 

Het eerste probleem is dat de plannen grotendeels van bovenaf opgelegd worden. Er zijn natuurlijk al Anglicaanse kerken die volop initiatieven nemen om meer aanwezig te zijn in de gemeenschap en nieuwe doelgroepen te bereiken. Die initiatieven moet je als kerkgenootschap steunen, met middelen, met de versoepeling van regels, met gebed en begeleiding. Maar je kunt niet van de goeddeels vergrijsde en overbelaste plaatselijke kerkjes verwachten dat ze in een decennium 20.000 nieuwe gemeenschappen uit de grond stampen. Als zij de benodigde feeling hadden met de betreffende onkerkelijke groepen, en de missionaire motivatie hadden om deze groepen te bereiken, dan hadden ze het allang gedaan ook zonder sturing van bovenaf. 

Kortom, in hun huidige samenstelling zijn de meeste kerken niet in staat om aan zo’n veelomvattende missionaire visie vorm te geven, hoeveel geld de kerk daar ook in wil stoppen. De plaatselijke kerken zijn er ook lang niet altijd toe bereid. Veel kerkleiders zien de plannen als een bedreiging van de vertrouwde parochiestructuur, en vrezen dat het geld en de energie die er ingepompt wordt ten koste gaat van de kleine kerkgemeenschapjes die al amper hun hoofd boven water kunnen houden. Bovendien zien ze het als een bedreiging van de autoriteit van de plaatselijke dominee en vrezen ze dat het neer zal komen op een machtsovername van de evangelische stroming in de Anglicaanse kerk. Als mensen nog denken in termen van machtsbehoud en het koste wat kost beschermen van de structuren, dan heb je de missionaire strijd eigenlijk al verloren. 

Dat er wat gebeuren moet, wil de Anglicaanse kerk haar positie in het Britse kerkelijke landschap behouden, staat echter buiten kijf. De gemiddelde Anglicaanse kerk telt drie kinderen. Drie. En 25 procent heeft helemaal geen kinderen. Die demografische ontwikkelingen zagen uiteindelijk de poten onder je stoel vandaan. De Anglicaanse traditie kan tenslotte alleen bestaan als er mensen zijn die deze willen voortzetten. 

En die traditie heeft vele prachtige en rijke elementen die het behouden zeer waard zijn. Net als de Nederlandse protestantse en reformatorische tradities. Maar uiteindelijk staan of vallen onze tradities met mensen. De macht en miljarden van de Anglicaanse kerk kunnen niet in stand houden wat niet langer leeft onder de mensen. En onze kerkelijke tradities leven alleen als God er leven in blaast. 

Waar dit leven gevonden wordt, kun je het als kerkgenootschap stimuleren, beschermen en ruimte geven om te groeien. Maar waar het niet gevonden wordt, kun je slechts bidden dat God een herleven wil geven. Het valt niet te organiseren of te financieren. Wij kunnen met veel goede bedoelingen en inzet aan een stervend paard blijven trekken. Maar God kan zelfs wat dood is doen opstaan.