Help, er zijn geen vromen meer

Echte ‘vromen’, bestaan die nog? In het Reformatorisch Dagblad stond pas een opmerkelijk stukje over de onlangs overleden theoloog Anne van der Meiden. Als hij nadacht over de dood, gaf de herinnering aan zijn grootmoeder hem houvast, zo vertelde hij eens: “Mijn oude opoe, nog zo’n heilige van toen. Ik zie haar nog zitten, de knipmuts op het hoofd. Als het over de hemel ging, zei ze altijd in dat prachtige Twents: ‘Wie zult nog stoan te kiek’n.’ Geen dominee, pastoor of theoloog heeft dat ooit nog overtroffen.”

Het belang van voorbeelden in het geloof is moeilijk te overschatten. Vuur ontsteek je met vuur. Zonder ‘vromen’ verandert een land in een geestelijke woestijn. In Psalm 12 gaat het over zo’n armoedige toestand. “Help toch God, want er zijn geen vromen meer.” Het lijkt erop dat vandaag de dag in Nederland die ‘vromen’ ook niet zo dik gezaaid zijn. Internet en techbedrijven lijken elke vorm van ‘geestelijk leven’ in de kiem te smoren. Hoezo bidden als je topentertainment binnen handbereik hebt? Vroomheid wordt steeds meer een zoete herinnering. Iets uit grootmoederstijd. Zoiets in deze tijd praktiseren, lijkt bijna onmogelijk.

Een romanschrijver die dat thema prachtig heeft uitgewerkt, is de Joodse Nobelprijswinnaar Isaac Bashevis Singer (1904 – 1991). Hij groeide op in het Polen van voor de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader was een vrome rabbijn, zijn moeder stamt uit een geslacht van rabbijnen. In 1935 vlucht hij naar Amerika, vanwege het groeiende antisemitisme in Polen. Hier zal hij de rest van zijn leven blijven. De verleidingen van de vrijheid, kan hij maar moeilijk weerstaan, hij stort zich in allerlei affaires. Tegelijk blijft het geloof van zijn jeugd aan hem trekken en voelt hij weerzin bij de decadentie van de Amerikaanse cultuur. In zijn boek ‘Schimmen aan de Hudson’ wordt die tweestrijd op indrukwekkende wijze beschreven.

Het boek gaat over Joden in New York die worstelen met het leven na die gruwelijke Holocaust, en met de geestelijke erfenis van hun vrome voorouders waar ze in New York amper raad mee weten. Eén van de hoofdpersonen is Hertz Grein. Grein stamt, net als de schrijver, uit een vrome familie, maar leidt een nogal liederlijk leven. 

Het enige dat Grein weerhoudt om te vervallen tot totaal cynisme en te geloven dat de wereld één darwinistische jungle is waar mensen elkaar voortdurend naar het leven staan, is het voorbeeld van zijn vader. Aan een Joodse kennis vertelt hij:

“Zijn voorbeeld is voortdurend voor mijn ogen, en hoe ouder ik word, hoe meer ik gedwongen ben om aan hem te denken. Hij was ook een man van vlees en bloed, maar hij leefde een heilig leven. Hij bracht alles in praktijk wat de joden en de christenen prediken. Zonder enig vertoon keerde hij de andere wang toe. Telkens als ik wanhopig ben over de mensheid in het algemeen en over mijzelf in het bijzonder, denk ik aan hem en vraag ik me af: Hoe heeft hij kunnen bestaan? Wat maakte hem tot wat hij was? Hij was niet uniek, trouwens. Ik kende veel joden zoals hij. Je kon ze in elke stad en dorp vinden. Onder degenen die Hitler uitroeide waren er tienduizenden heiligen.”

“Die bestaan niet meer.”

“Ze bestonden, en dat is het bewijs dat ze nog steeds kunnen bestaan. In het hart van de Darwiniaanse jungle, midden in het slachthuis, leefden heilige mensen die ijverig vermeden anderen te kwetsen in hun gedachten, laat staan met een woord.”

De boeken van Isaac Bashevis Singer zijn nog hoogst actueel en houden ook de kerk een spiegel voor. Zij we niet te veel compromissen aangegaan in het volgen van Christus?