Molukse loyaliteit afgestraft

Zeventien burgemeesters komen op voor de Molukse gemeenschap die hun gemeente herbergt. Ze dringen er bij de toekomstige regering op aan om spijt te betuigen voor de onwaardige ontvangst van de Molukkers na de dekolonisatie van Indonesië. Nu precies zeventig jaar geleden. Alweer een excuusactie? Je kunt wel bezig blijven. Dat laatste is geen verkeerde gedachte. Er gaat namelijk ook heel veel mis. Misschien kun je wel zeggen dat alles misgaat. Elk belangrijk besluit is met fouten omgeven. ‘Mensen maken fouten’, zeggen we vergoeilijkend. De Heidelberger Catechismus is wat minder soft. Mensen zijn gewoon ‘niet in staat tot enig goed’.

Mocht dat wat te zwaar klinken, dan moeten we toch minstens durven erkennen dat we niet in staat zijn iets honderd procent goed te doen. Altijd weer moet je achteraf constateren dat het (veel) beter had gekund. We mogen fouten maken, beweren therapeuten. Ik vind die opwekking altijd wat overbodig. We máken fouten, heel veel fouten zelf. Dat is erg, maar erger is dat we het maar moeilijk toegeven. En nog erger is dat we er moeilijk toe komen om fouten recht te zetten. Ook fouten uit een ver verleden.  Sommigen vinden het overdreven gezeur. Het is allemaal al zo lang geleden. En het waren ingewikkelde situaties. Zo kun je leven. Maar je ruimt dan nooit iets op en je leert ook niets. En pijnlijker, er wordt niets geheeld. Wonden blijven schrijnen, zoals bij de Molukse gemeenschap.

Wat is er precies met hen gebeurd? Eind december 1949 vond in Indonesië de soevereiniteitsoverdracht plaats. Daar was een pijnlijke strijd aan voorafgegaan. Veel Molukkers hadden aan de Nederlandse kant gestreden. Ze konden of wilden niet voor de tegenstander aan het werk gaan. Er was een soort afkoelingsperiode nodig. Vijf schepen brachten in totaal 12.500 Molukkers naar Nederland. De eerste boot arriveerde 21 maart 1951 in de Rotterdamse haven. Ze zouden hier een maand of drie blijven. Indonesië zou volgens internationale afspraken een federale staat worden. Als de rust was weergekeerd, konden ze naar een min of meer zelfstandig Ambon terugkeren. Maar alles liep anders. Indonesië werd al heel snel een eenheidsstaat. Er was geen sprake van enige zelfstandigheid. Nu werd op de Molukken een vrijheidsstrijd gestreden. Op 25 april 1950 werd de Republik Maluku Selatan (RMS) uitgeroepen. Maar het vrijheidsstreven werd heel snel de kop in gedrukt. Er was dus voor de in ons land verblijvende Molukkers geen weg terug.

Nederland herbergde plotseling 12.500 modelmigranten. Ze spraken onze taal, ze waren bijna allemaal calvinistische christenen. Ze waren zeer loyaal aan onze regering. Ze wilden heel graag doorgaan met hun werk in het leger. Je zou denken dat ze met open armen onthaald werden. Maar dat viel tegen. Hun militaire status werd hun bij aankomst afgenomen, ze werden ondergebracht in voormalige concentratiekampen, zoals kamp Vught en kamp Westerbork. Ze mochten niet werken.

Ook de kinderen kregen op school geen warm onthaal. De Molukse schrijfster Wies van Groningen vermeldt: “Op mijn eerste schooldag hier werd ik met stenen bekogeld omdat ik een kleurtje had. Er zat een gat in mijn hoofd, mijn moeder ging verhaal halen. Ze zei tegen het schoolhoofd: ‘Ik had dit niet verwacht op een christelijke school.’” 

Na de eerste generatie kwam de tweede generatie. Ze zagen de pijn van hun ouders en wilden gerechtigheid. Het liep uit op bezettingen en een treinkaping. In die generatie zag je ook veel druggebruik, puur protestgebruik. En nu is er een derde generatie. De zeventien burgemeesters vinden dat een excuus ook voor hen heel goed zou zijn. Wat zou er dan moeten gebeuren? “Je zou kunnen denken aan een gesprek tussen vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap en de Minister van Binnenlandse zaken of de Minister-President. Die zou op z’n minst kunnen zeggen: ‘We schamen ons voor wat u is aangedaan.’” Dat moet toch niet onmogelijk zijn? In elk geval zou het een zegen zijn voor ons allemaal.