Een onverwachte bondgenoot

Eén van de eerste opdrachten van president Biden aan zijn nieuwe regering is het voorbereiden van een controversiële wet op genderidentiteit. Het is ook meteen het meest controversiële wetsvoorstel en roept heftige reacties op. 

Die protesten komen niet alleen uit conservatief-christelijke hoek, maar met name ook van vrouwenbewegingen en feministische organisaties. Dat is begrijpelijk. Vrouwen hebben moeten vechten voor gelijkheid op tal van terreinen. Het is nog niet zolang geleden dat zij allerlei rechten misten die we nu heel gewoon vinden. Precies honderdvijftig jaar geleden werd voor het eerst een vrouw toegelaten op een universiteit in Nederland en dat ging niet zonder slag of stoot. De strijd om stemrecht voor vrouwen duurde nog bijna vijftig jaar en werd pas in 1919 bereikt. ‘Dezelfde beloning voor dezelfde arbeid’ blijkt in de praktijk nog steeds niet vanzelfsprekend.

En wat te denken van de rechtsongelijkheid die in de vorige eeuw nog decennialang vrouwen in een kwetsbare positie plaatste, waardoor zij vaak een rechteloos slachtoffer waren bij seksueel en psychisch misbruik en huiselijk geweld. Denk ook aan de vrouwenhandel en gedwongen prostitutie, wat helaas een onuitroeibare misdaad lijkt te zijn. Het vechten voor vrouwenrechten was noodzakelijk om bescherming te bereiken tegen willekeur, onderdrukking en misbruik. Al leek dat recht de laatste decennia verzekerd, de weerbarstige praktijk laat telkens zien dat er constante waakzaamheid geboden is. Blijf-van-mijn-lijfhuizen blijven helaas noodzakelijk. 

De nieuwe wetgeving die Biden voorstelt, ondergraaft dit recht op heel wezenlijke punten. Het legt zogenaamd het recht vast van mensen – ook kinderen – om te functioneren in de genderidentiteit die zij ervaren of claimen te hebben. Dat gaat op scholen, sportgelegenheden en allerlei andere openbare gelegenheden inhouden dat een jongen die zich meisje voelt en die identiteit claimt, de toegang tot damestoiletten en vrouwenkleedkamers niet ontzegd mag worden. En als sporters hebben zij het recht deel te nemen aan vrouwencompetities. Hier zijn in sommige staten in de VS de afgelopen jaren al rechtszaken over gevoerd. 

Terecht voelen vrouwen zich bedreigt. Hun angst komt voort uit een geschiedenis van misbruik vanwege hun kwetsbare positie. De privacy en bescherming die eigen toiletruimtes en kleedkamers hen bood, wordt hun ontnomen. En wat te denken van de vrouwensport? Hoeveel kans maken zij als er transgenders die als man geboren waren, mee mogen doen in hun competitie? De claim vrouw te zijn of een wet die hen tot vrouw verklaart, verandert niets aan hun chromosomen. 

Vrouwenactiviste Charlie Rae of Raleigh stelde ter gelegenheid van een protestdemonstratie op 8 maart in Washington dat men genderidentiteit als een mensenrechtenzaak is gaan beschouwen, terwijl het in feite mensenrechten onderuithaalt. “Het verandert onze reeds bestaande structuren van mensenrechten. Ik denk dat veel mensen dit goedbedoeld doen om anderen te beschermen en mensenrechten te implementeren. Daarvoor zijn wij hier ook. Maar genderidentiteit als concept – transgenderisme, de medicalisering hiervan, het veranderen van ons beleid en instituties – dat beschermt mensen niet.” 

Dit is een ‘hot issue’, dat ook in Nederland en Europa verhitte discussie oproept, met name omdat voorstanders een eerlijke discussie op voorhand afwijzen als discriminerend of ‘transfoob’. Conservatieve christenen bekeken het feminisme doorgaans op voorhand met argwaan, maar op dit punt blijkt het een onverwachte bondgenoot te zijn. Wellicht staan sommige strijdpunten van de vrouwenbeweging dichter bij christelijke uitgangspunten dan we wilden zien.